wp32ccfba7.png
wp4fef768e.png
wpa099d6b7.png
wpf066b54d.png
wpf16676d3.png
wpac04df21.png
wp1d04a34a.png

Zo werd hij, amper zes maanden oud, toevertrouwd aan de zorgen van zijn grootouders aan moeders kant: Chale Schoen en Roze van Koben Beng, die

in’t Heierveld in Walfergem een klein boerderijtje hadden.  Karel werd er grootgebracht door zijn tantes Wis en Jelie en mocht er spelen met zijn zeven jaar oudere nonkel Bot, die hem overal mee naartoe troonde.  Daar op’t Heierveld bloeide Karels schildertalent open.  Met houtskool uit de bakoven maakte hij zijn eerste tekeningen op de witgekalkte lemen muur.  Geen enkel plaatsje van de witgekalkte muren van het hoevetje bleef van een tekening gespaard.

 

Karel trok mee naar het veld en raakte gecharmeerd door het boerenleven en de volksmensen die hij zo treffend wist te schilderen.  Hij zag de hoppeplukkers aan de slag en ging voor schafttijd faro halen bij zijn meter.  

Hij maakte omwegen door de velden en zag Wannes die blootsvoets over

het stoppelveld liep en Pië die zijn volgeladen kruiswagen voortduwde.  

Na de oogst lagen de velden er kaal bij en kwam de ploegtijd en de zaaitijd.  Het raapzaad werd in de omgeploegde vorden gestrooid.  De bietenoogst

werd met de kar tot aan de bietenkuil getrokken.

 

In de week van Walfergemkermis kwam Pit van Jeppes, de varkensslachter.  

Hij droeg zijn messen, bijlen en het slijpstaal in een leren koker aan zijn zij.  

Het vetgemeste varken werd bij valavond gekeeld, gebrand en open gekapt.  Het vlees werd gezouten.  Met de vleesmolen werden pensen gedraaid.  

Na het werk was het tijd om naar de staminee te gaan.

wp3d2266f4.png
wpc194ce1a.png